Meer weten?
Lezing over Trots

Lezing over Trots

Beste alumni, collega’s en andere belangstellenden.
Het is bijzonder om hier te zijn en ik ben er trots op dat ik hier voor jullie sta en jullie mag toespreken….
Ik wil je vragen om even de aandacht naar binnen te richten en te voelen wat het met je doet als ik dit zinnetje zeg: “Ik ben er trots op dat ik hier voor jullie sta en jullie mag toespreken”.
En probeer dat gevoel eens met een woord te benoemen.

Sommigen zullen zeggen: ik voel me blij of vrolijk, zo iemand denkt misschien: “nou wat fijn voor haar, ze zal er wel een reden voor hebben om daar trots op te zijn, misschien heeft ze een zware tegenslag overwonnen ofzo.”
Dan denk je dat ik trots ben op iets van mezelf.

Sommigen zullen misschien verontwaardiging voelen. Dat ik zoiets bedoel als: ik ben er trots op dat jullie naar MIJ moeten luisteren. Dat ik hier sta en jullie daar zitten. M.a.w. dat ik me beter voel dan jullie.

Maar sommigen zouden ook kunnen horen: ze is er trots op dat ze ONS, of Mij dus mag toespreken.
En Als ik zeg dat dat laatste het geval is, dat ik er trots op ben dat ik juist jullie mag toespreken, dan is de kans groot dat jij je ook een beetje trots gaat voelen en dat ook al deed toen ik dat zinnetje uitsprak.
Dan denk je: Als zij zegt dat ze trots is om hier te staan spreken, dan hebben wij blijkbaar iets bijzonders.
Maar is dat voldoende reden om trots te zijn op jezelf?
Wat is dat eigenlijk trots?

De meesten van jullie zijn waarschijnlijk groot gebracht met de boeken van Harry Potter – ik weet niet of dat misschien ook iets is waar je trots op kunt zijn? Ikzelf stam nog uit de tijd van tita tovenaar – maar dit terzijde.
In de openingsalinea van het eerste deel van de Harry Potterreeks, Harry Potter en de steen der wijzen, wordt op een geestige manier verwezen naar trots (Marriet Willemsen emotises pag. 86).

‘ In de ligusterlaan, op nummer 4, woonden meneer en mevrouw Duffeling. Ze waren er trots op dat ze doodnormaal waren. En als er ooit mensen waren geweest van wie je zou denken dat ze nooit bij iets vreemds of geheimzinnigs betrokken zouden raken, waren zij het wel, want voor dat soort onzin hadden ze geen tijd. ‘

Ze waren er trots op dat ze ‘doodnormaal’ waren! Maar dat is toch raar? Meestal zijn mensen toch juist trots als ze iets bijzonders hebben gepresteerd?
En trots zijn op doodnormaal zijn betekent dat doodnormaal zijn iets bijzonders is geworden. (maar dan is het niet meer doodnormaal natuurlijk) ………

Een prachtige paradox ook, maar daar gaat het nu niet om, het gaat erom dat we zeggen dat je trots kunt zijn omdat je iets bijzonders hebt verricht.
Je bent niet zomaar trots op je land en de koningin, je partner, je werk of je mobiele telefoon. Je bent trots omdat je Nederland een fijn land vindt en Bea een toffe koningin – of omdat je vindt dat ons voetbal zo mooi is, of je partner een lekker stuk is waar alle meiden voor vallen.
Maar als ik zeg dat ik er trots op ben dat ik 1.71 ben of dat ik er trots op ben dat ik 52 ben en dat ik een blanke vrouw ben, dan wordt het al dubieus.
Het zijn dingen waar ik niet echt iets aan kan doen. Het is geen prestatie van mij.
Het is puur toeval en ik heb misschien geboft dat ik een witte Europese vrouw ben, maar ik kan niet zeggen dat ik er trots op ben.
Kortom, een eerste voorwaarde die aanwezig moet zijn om te kunnen zeggen dat je ergens trots op bent lijkt te maken te hebben met een geleverde prestatie. Of op zijn minst een prestatie die mede dankzij jouw tot stand is gekomen.
Maar is het dan niet even raar om te zeggen dat je trots bent op het Nederlands elftal of de koningin?
Misschien kan je nog zeggen dat ze hun prestatie er aan te danken hebben dat jij met je vrienden heel hard hebt staan juichen en ze op die manier naar de overwinning hebt toegeschreeuwd.
Maar met trots zijn op de koningin kan dat niet meer en je hoeft zelfs geen republikein te zijn om dit onzinnig te vinden.
Evenmin is het mijn prestatie dat mijn man een lekker stuk is? (misschien nog wel om hem in mijn netten te vangen).
Maar zijn dat uberhaupt eigenlijk wel dingen waar je trots op zou moeten zijn? Leidt trots zijn op je land niet tot fout nationalisme, en is het trots zijn op het lekkere lijf van mijn vent niet een vorm van seksisme?

Is trots eigenlijk uberhaupt iets om trots op te zijn?
Is trots wel een deugd?
Is het niet eerder arrogant om trots op te zijn, omdat je je daarmee altijd uitdrukt; Ik ben beter dan … Je zegt immers niet dat je trots bent op dat je iets slechter hebt gedaan.


Misschien is het daarom dat in het Christendom trots zelfs gezien werd als een zonde, en niet zomaar een zonde maar sterker nog: een doodzonde.
In de zesde eeuw van onze jaartelling stelde Paus Gregorius de Grote een lijst op van zeven zonden. Die zeven zonden waren volgens hem beledigingen aan de ziel en misdaden tegen God. Al het kwaad in de wereld zou terug te voeren zijn op deze zonden – door Gregorius opgesomd in volgorde van slechtheid: Trots, hebzucht, wellust, afgunst, vraatzucht, woede en luiheid. Opmerkelijk is dat Gregorius trots als ergste zonde beschouwt. Trots prijkt immers bovenaan de lijst.
Wie trots is, richt zich op zichzelf en keert zich af van God, zo is de Christelijke overtuiging. Ook in de islamitische traditie vinden we een veroordeling van trots. In de Koran lezen we dat de Profeet zei: Wie trots in zijn hart heeft gelijk het gewicht van een kleine atoom, zal nooit het Paradijs binnengaan. Iemand vroeg hoe het dan zit met een man die graag mooie kleren en fijne schoenen draagt, en de Profeet antwoordde: God is mooi en houdt van schoonheid. Dan legde hij uit dat trots betekent: het verwerpen van de waarheid omwille van eigendunk of het neerkijken op andere mensen. http://www.flwi.ugent.be/cie/bogaert/bogaert7.htm

Hier wordt gesteld dat trots gaat over eigendunk en het neerkijken op een ander en dat zijn niet bepaald deugden!
Trots hoort niet, trots is fout zegt de religie ons. We dienen bescheiden te zijn.
We hebben geen reden om trots te zijn, want al onze prestaties zijn uiteindelijk niet van onszelfs van maar God afkomstig.

Van dergelijke religieuze praat hoef je je natuurlijk niets aan te trekken ware het niet dat ook de wetenschappelijke benadering ons niet veel verder helpt. Laten we eens onderzoeken naar hoe we het begrip Trots in het dagelijks leven gebruiken.
Ik zeg bijvoorbeeld “Ik ben er trots op dat ik filosofiedocent ben geworden. Dat is toch zeker wel mijn eigen prestatie en dankzij hard werken, discipline en doorzettingsvermogen tot stand gekomen?
Maar is dat wel echt mijn verdienste? Ben ‘IK’ het die dat voor elkaar heeft gekregen? Ook dat valt te betwijfelen.
We weten allemaal dat een goede opvoeding en een veilig klimaat nodig zijn om je talenten tot ontplooiing te brengen. Is het nu mijn verdienste dat ik veilig gehecht ben opgegroeid in een gezin waar geld was om mijn studie te betalen. Is het wel mijn verdienste dat ik in het rijke westen en niet in het door oorlog verwoestte Somalie geboren ben? Is het mijn verdienste dat ik in 1961 ben geboren en niet in 1861 toen ik een studie als vrouw wel op mijn buik kon schrijven.
Nee allemaal niet.
En dat geldt ook voor mijn intelligentie en het karakter dat in staat blijkt te zijn tot voldoende zelfdiscipline heb ik niet zelf gekozen. Als we sommige wetenschappers mogen geloven is de invloed die je lijkt te hebben op je eigenleven zo goed als nihil.
Maar als de neurowetenschappers alle Swaab en Victor Lamme gelijk hebben dat vrije wil een illusie is dan blijft er niets over waar je zelf invloed op hebt en dus eventueel terechte trots aan kunt ontlenen. Voor de meeste religies is trots een zonde en volgens sommige wetenschappers slaat het nergens op.
Trots is dus iets dat we maar beter af kunnen schaffen.
Tot zover, ik nodig iedereen uit daar uw eigen gedachten eens over te laten gaan.


Terechte trots

Mijn man is psychotherapeut en een van de belangrijktste dingen die hij mensen leert, zegt hij, is om weer trots te worden op wie ze zijn, om weer eigenwaarde, eigendunk te ontwikkelen. Niet door jezelf beter te voelen dan een ander, maar juist door jezelf minstens evenveel te voelen als een ander. Hij leert de mensen weer, zegt hij, om te zeggen: Kijk dit kan ik goed! En daar niet besmuikt maar juist met gepaste trots over te praten.. Volgens hem zouden de pscyhotherapie praktijken weer vollopen als we trots tot een zonde zouden verklaren of anderszins zouden afschaffen. Trots is gezond voor de geest en de ziel!
Kunnen we vanuit de filosofie deze psychologische invalshoek misschien ondersteunen?
Zijn er filosofen te vinden die stellen dat trots een kwaliteit of een deugd is? Ja die zijn er. Daarvoor moeten we terug naar de oudheid. Daar worden er verschillende vormen van trots onderscheiden. Enerzijds hebben we hybris, een vorm van hoogmoed. Deze vorm van trots die bijvoorbeeld terugkomt in mythes waarin de mens zicht met de goden meent te kunnen meten, wordt uiteindelijk altijd afgestraft. Die mensen krijgen allemaal de vreselijkste straffen te verduren, zoals Sysyphus die telkens dezelfde steen een berg op moest rollen. ) Maar er wordt in diezelfde oudheid ook gesproken van de trotse Achilles of de fiere Agamemnon. Dus er bestaat ook een vorm van trots die niet verkeerd is en sterker nog gezien wordt als deugd.
Wat is dat dan voor een vorm van trots?
De filosoof Aristoteles, die algemeen gezien wordt als de vader van de deugdethiek of deugdenleer kan ons hier verder helpen. Trots is een deugd en een deugd is volgens Aristoteles een kwaliteit .
We zeggen van iets dat het deugt als het over een bepaalde kwaliteit beschikt. Zo kan je van een stofzuiger zeggen dat hij deugt als de kwaliteit van de stofzuiger goed is het ding doet waar het voor gemaakt is: stofzuigen.
Maar hoe zit dat bij de mens? Wanneer deugd een mens of wanneer zeggen we van iemand dat hij of zij een deugdelijk mens is?
De mens beschikt over twee soorten deugden, enerzijds de intelectuele deugden, zoals verstandigheid en wijsheid en anderzijds de karakterdeugden zoals moed en matigheid. Van een karakterduegd is sprake als deze ons aanzet tot het maken van een juiste keuze en het juiste midden weet te vinden. Zo is moed het midden tussen te weinig moed, dat we lafheid noemen en te veel moed, dat we overmoedig noemen. Volgens Aristoteles moeten de karakterdeugden altijd onder leiding staan van de intellectuele deugden, dat wil zeggen je hebt je verstand nodig om te bepalen wat moedig is. Als ik in het water spring om een kind van de verdrinkingsdood te redden maar ik kan zelf niet zwemmen dan is dat niet zozeer moedig, maar vooral dom.

Als ‘trots’ een deugd zou zijn dan zou het dus het juiste midden zijn tussen teveel trots (dat kunnen we dan hoogmoed of arrogantie noemen) en te weinig trots, zo iemand noemen we onzeker of (te bescheiden of bij zo’n iemand is sprake van valse bescheidenheid).
Als we zo redeneren kunnen we misschien goede vormen van slechte vormen van trots onderscheiden.
De slechte heeft te maken met eigendunk, arrogantie en neerkijken op de ander. De goede heeft die kwalijke kanten niet. Maar is het niet verwarrend dat we dan telkens dat ene woord ‘trots’ gebruiken in situaties die we heel verschillend beoordelen?
Een uitweg is om de snoevende, opschepperige trots ‘hoogmoed’ te noemen, zodat we ‘trots’ kunnen reserveren voor situaties waarin arrogantie geen rol speelt. Maar ‘trots’ is, in beide betekenissen, zo ingeburgerd in het spraakgebruik dat het niet eenvoudig is deze uitweg te volgen.
Waar brengt dit ons nu? Trots is een prettig gevoel, dat altijd betrekking heeft op onszelf of op wat ons dierbaar is – wat bij ons hoort of waar we bij (willen) horen. We hebben dat prettige gevoel als we een bijzondere eigenschap hebben of iets speciaals hebben gepresteerd. Maar als trots gepaard gaat met arrogantie en als het ertoe leidt dat we neerkijken op een ander dan is er sprake van hoogmoed of zelfingenomenheid.
Bij het onderscheiden van trots en hoogmoed kan het helpen om opnieuw Aristoteles te raadplegen. Aristoteles besteed in zijn belangrijkste boek de Ethica een hoofdstuk aan Trots. In de Nederlandse vertaling wordt echter niet het woord ‘trots’ gebruikt, maar ‘fierheid’. Dit komt misschien omdat de vertalers een Vlaamse achtergrond hebben. Het fraaie van deze vertaling is dat we bij ‘fierheid’ niet meteen denken aan de arrogante, hoogmoedige trots die met name door religieus geïnspireerde denkers wordt afgewezen, maar eerder aan een waardige houding. Die waardige houding waar sprake van is als we het hebben over de trotse Achilles. Aristoteles beschouwt ‘fierheid’ als het juiste midden tussen al te bescheiden nederigheid en verwaandheid. Hij zegt:

Zoals men weet is een fier mens iemand die hoge ambities heeft en inderdaad ook grote verdiensten heeft. Wie hoge ambities heeft zonder de bijbehorende verdiensten is namelijk een dwaas. Aristoteles bedoelt denk ik, dat het stom is om concertpianist te willen worden als je geen enkel muzikaal talent hebt.

Verder stelt hij:
Wie maar weinig verdiensten heeft en dat van zichzelf ook denkt, is bescheiden maar niet fier. [...] Wie daarentegen hoge ambities heeft, maar geen grote verdiensten heeft geleverd is verwaand. Toch is niet iedereen verwaand die hogere ambities heeft. En wie lagere ambities heeft dan hij eigenlijk verdient is nederig, of hij nu grote of middelmatige, of zelfs maar kleine verdiensten heeft [...]

Hier wordt duidelijk dat de wereld van Aristoteles er een is waarin prestaties gestimuleerd en gewaardeerd worden en waarin fierheid, hoge ambities en grote verdiensten, als een deugd wordt beschouwd. Wie behoorlijk wat gepresteerd heeft, maar weinig ambitieus is, blijft qua fierheid in gebreke. Maar als de fierheid doorslaat – en dat gebeurt als iemand veel pretenties heeft maar als de verdiensten daarbij achterblijven – dan is er sprake van verwaandheid, ijdelheid of hoogmoed.

Dat brengt ons op de vraag of het mogelijk is trots te zijn op eigenschappen die bij jou horen en niet van je afgenomen kunnen worden, zoals lengte, huidskleur of seksuele voorkeur. Zoals in het eerste deel aan de orde is gekomen is het raar om te zeggen dat je er trots op bent dat je bijvoorbeeld 1 meter 70 en een blank vrouw bent’,. Deze uitspraken suggereren een verantwoordelijkheid die er niet is; omdat we niet kunnen kiezen voor lengte, huidskleur en geaardheid, is het ook niets om trots op te zijn.
Maar zo eenvoudig ligt het toch niet. Als we andere voorbeeldzinnen nemen dan de juist geciteerde, wordt dat zichtbaar: ‘Ik ben er trots op dat ik 1 meter 30 ben’, ‘Ik ben er trots op dat ik zwart ben’, ‘Ik ben er trots op dat ik homo ben’.
Deze zinnen zijn minder vreemd dan het eerdere drietal, althans als we uitgaan van een situatie waarin de meeste mensen in Nederland zo rond de 1 meter 70, blank en heteroseksueel zijn.
Wie afwijkt van wat gemiddeld is, wie anders is dan verwacht, wordt niet altijd geaccepteerd door diegenen die wel aan het verwachtingspatroon voldoen. Bewegingen als ‘black pride’, ‘gay pride’ en – wie weet – ‘small pride’, zijn allesbehalve onzinnig tegen de achtergrond van een context waarin afwijkingen van wat gemiddeld is niet worden gerespecteerd.
Met dit in ons achterhoofd kunnen we de trots van het gezin Duffeling uit De steen der wijzen plaatsen. De Duffelingen zijn, in afwijking van de meeste andere personages in de Potterreeks, volkomen normaal. In een wonderwereld van magie en mysterie voelen doodnormale mensen zich misschien, al of niet terecht, ineens bedreigd en zien ze zich genoodzaakt om een saaie beweging te beginnen die ‘normal pride’ heet.

Trots heeft dus te maken met iets niets gemiddelds doen of zijn. Trots heeft op deze manier te maken met afwijken van de norm en daar kracht aan ontlenen. Aangezien we allemaal uniek zijn en in die zin afwijken van de norm, raad ik iedereen aan om trots te zijn op zichzelf en het leven fier = met gepaste trots= tegemoet te treden.
Dank je wel.